Over het verhaal van een echte Romeinse schat in de Sint Pietersberg
Disclaimer: dit is uitdrukkelijk GEEN verzonnen nepverhaal maar een echte, met bronnen onderbouwde gebeurtenis uit de geschiedenis van Limburg. (!!)
Hoe het precies ging
In de winter van 54/53 v.Chr. hadden de Romeinen een groot winterkamp (Aduatuca) gebouwd in het gebied van de Eburonen (Oppidum van CAESTERT)
Caesar liet het grootste deel van zijn leger en alle bagage (impedimenta) — dus de have en goed van het Romeinse leger: persoonlijke bezittingen van soldaten, slaven, pakdieren, proviand, geld, reserve-wapens, tenten, etc. — achter in dit versterkte kamp onder bevel van de legaten Quintus Titurius Sabinus en Lucius Aurunculeius Cotta, met ongeveer anderhalve legioen of meer (ongeveer 5.000–7.000+ Romeinen + knechten).
Ambiorix, de leider van de Eburonen, lokte Sabinus met een list uit het kamp met beloftes van vrije doortocht. Sabinus geloofde hem (tegen het advies van Cotta in) en het hele garnizoen werd in een hinderlaag gelokt en vrijwel volledig uitgemoord.
Een paar Romeinen wisten te ontkomen en brachten het nieuws naar andere kampen. Maar de Germaanse Sicambri (een stam uit het gebied ten oosten van de Rijn) kregen kort daarna lucht van de gebeurtenissen.
Volgens Caesar (De Bello Gallico VI, 35–42) gebeurde het volgende:
De Sicambri hoorden van de slachting en het verlaten Romeinse kamp. Ze staken snel de Rijn over en begonnen aan een plundertocht.
Ze vielen het kamp Aduatuca aan, dat nu nog maar heel zwak bemand was (voornamelijk de zieken, gewonden, bagage-troepen en een kleine achtergebleven wacht).
En nu komt het:
De Sicambri ondervroegen Romeinse gevangenen (of overlopers/deserteurs) die ze in handen kregen.
Deze gevangenen vertelden hun dat Caesar met het gros van het leger ver weg was, dat bijna alle legioenen uit het kamp weg waren getrokken en dat er in de “stapelplaats” Aduatuca nu maar heel weinig soldaten waren, plus de gehele bagage van het Romeinse leger (dus een enorme buit).
De Germanen haastten zich toen onmiddellijk om het kamp aan te vallen en te plunderen, in plaats van verder het land in te trekken. Tweeduizend Germaanse ruiters bestormden de Decumaanse poort, ze deden een felle aanval, maar de kleine Romeinse bezetting (onder anderen de centurio Publius Sextius Baculus, die zwaargewond was maar toch het commando op zich nam) hield stand door heldhaftig verzet, totdat de Germanen hoorden dat de versterkingen van Caesar in aantocht waren en zich terugtrokken.
Kort samengevat:
Een (of meerdere) Romeinse gevangene(s) verklapte(n) aan de Germaanse plunderaars (Sicambri) dat in het kamp Aduatuca bijna geen soldaten meer zaten, maar wel de volledige have en goed / bagage van het hele Romeinse expeditieleger. Dat was voor de Germanen het sein om massaal toe te slaan en te proberen die enorme buit te veroveren.
Dit verhaal is dus geen legende, maar komt rechtstreeks uit Caesars eigen verslag — al moet je natuurlijk altijd bedenken dat hij zijn eigen versie van de feiten schrijft en de nederlaag van Sabinus zo veel mogelijk probeert te vergoelijken.
Hier de volledige tekst, zodat u het zelf kunt controleren:
35. Dit viel er voor in alle deelen van het gebied der Eburonen, en reeds naderde de zevende dag, waarop Caesar weder naar den legertrein en het legioen had willen terugkeeren. Hier bleek weer, hoe veel in den oorlog van het geluk afhangt en tot welk een wisselvalligheden het aanleiding geeft. De vijand was, zooals wij hebben gezegd, verspreid en onthutst, geen handvol troepen was er bijeen, die ook slechts tot den geringsten grond om vrees te koesteren aanleiding zou kunnen geven. Maar tot de Germanen aan gene zijde van den Rijn was het gerucht doorgedrongen, dat het land der Eburonen werd verwoest en dat allen daarenboven tot plunderen door de Romeinen werden uitgenoodigd. Daarop brachten de Sugambren, die het dichtst bij den Rijn wonen en die, als boven gezegd de vluchtende Teukteren en Usipeten hadden opgenomen, twee duizend ruiters samen, en gingen op schepen en vlotten dertig mijlen beneden de plaats, waar Caesar de brug gebouwd en een bezetting achtergelaten had, over den Rijn. Zij rukten het grensland der Eburonen binnen, vingen vele vluchtende en uiteengejaagde Eburonen op en maakten een groote menigte vee, waarop de barbaren bijzonder tuk zijn, buit. Uitgelokt door den buit, rukten zij verder voorwaarts. Geen moerassen, geen bosschen hielden deze geboren krijgers en roovers op. Zij vroegen de gevangenen, waar Caesar vertoefde en vernamen, dat hij verder getrokken was en zijn geheele leger zich gesplitst had. Daar vroeg een der gevangenen: "wat loopt gij dezen ellendigen en armzaligen buit na, gij, die u reeds in den grootsten rijkdom zoudt kunnen baden? In drie uren kunt gij in Aduatuca zijn; daar heeft het Romeinsche leger al zijn have en goed tezamengebracht. De bezetting is zoo zwak, dat zij zelfs den wal rondom niet kan bezetten, en niemand het waagt buiten de verschansingen te komen." In het vooruitzicht hierop, lieten de Germanen den reeds gemaakten buit op een verborgen plaats achter en spoedden zich naar Aduatuca, onder geleide van den gevangene, die hun dit alles had medegedeeld.
36. Cicero had al de vorige (zes) dagen, overeenkomstig Caesars bevel, de soldaten met de grootste zorgvuldigheid in de legerplaats gehouden en zelfs geen treinknecht buiten de verschansing laten gaan. Op den zevenden dag echter had hij geen vertrouwen meer, dat Caesar zich aan den bepaalden tijd zou houden, want hij had gehoord, dat Caesar verder voorwaarts gerukt was en van zijn terugkeer was nog niets vernomen. Daarbij kwam nog het gemor van hen, die zijn geduldig wachten een soort van belegering noemden, wanneer men niet eens buiten de legerplaats mocht gaan. En daar hijzelf binnen een omtrek van drie mijlen geen ongeval voor zijn troepen verwachtte, terwijl negen legioenen en een sterke ruiterij tegenover een verstrooiden en haast vernietigden vijand stonden, zond hij vijf cohorten uit om te fourageeren in de dichtstbij zijnde korenvelden, die van de legerplaats slechts door één heuvel gescheiden waren. Verscheidene zieken van de overige legioenen waren in de legerplaats achtergebleven, van wie er ongeveer driehonderd middelerwijl waren hersteld, die onder één vaan voor zich afzonderlijk mede uitrukten. Bovendien trokken een groote menigte treinknechten, na verkregen verlof, met een massa lastdieren, die in de legerplaats waren gebleven, mede.
37. Juist op dit oogenblik en onder deze omstandigheden verschenen de Germaansche ruiters en trachtten dadelijk in éénen rit, zooals zij daar aangekomen waren, door de achterpoort de legerplaats binnen te dringen. Men had hen door de zich daar bevindende bosschen niet gezien, voordat zij reeds dichbij de legerplaats waren, zoodat de kramers, die hun tenten vóór den wal hadden opgeslagen, geen gelegenheid hadden zich in veiligheid te stellen. De onverhoedsche overval bracht de onzen in verwarring en nauwelijks hield de cohorte der poortwacht tegen den eersten aanval stand. De vijanden verbreidden zich nu om de geheele legerplaats, ten einde een ingang te vinden. Met moeite verdedigden de onzen de poorten; de plaatselijke gesteldheid zelve en de verdedigingswerken maakten den vijand ergens anders den toegang onmogelijk. In de geheele legerplaats is men vol vreeze en beven, en de een vraagt aan den ander naar de oorzaak van het alarm; niemand bepaalt vooraf, waar men zich zou verzamelen, noch ook welken post ieder bezetten zou. De een schreeuwt, dat de legerplaats reeds veroverd is; de ander beweert, dat veldheer en leger vernietigd, de overwinnende barbaren reeds daar zijn. De meesten scheppen zich nieuwe, bijgeloovige bedenkingen naar aanleiding van de plaats, waar zij zijn, en houden elkaar de ramp van Cotta en Titurius, die ook in deze schans hun ondergang gevonden hadden, voor oogen. Terwijl allen door zoodanige vrees verlamd waren, werden de barbaren versterkt in de meening, dat er, zooals zij van den gevangene hadden gehoord, werkelijk geen bezetting in de legerplaats was. Zij poogden nu met geweld door de poorten binnen te dringen en wekten elkaar wederkeerig op, een zoo groot geluk zich niet te laten ontsnappen.
38. In de legerplaats was onder anderen ook Publius Sextius Baculus, een primipilus van Caesar, van wien wij reeds bij vroegere oorlogen melding hebben gemaakt, ziek bij de bezetting achtergelaten. Reeds in vijf dagen had hij geen voedsel tot zich genomen. In de meening, dat alles verloren was, kwam hij ongewapend uit zijn tent en zag, dat de vijanden zeer nabij waren en de toestand hachelijk was. Dadelijk nam hij van den eerste den beste een wapen en stelde zich op in de poort. De centurio's van de wachthebbende cohorte sloten zich bij hem aan en zoo hielden zij een wijle den aanval uit. Maar Sextius werd zwaar gewond en zonk bewusteloos ineen. Met moeite werd hij van hand tot hand weggetrokken en in veiligheid gebracht. Middelerwijl vermanden de overigen zich toch in zoover, dat zij op de verschansingen durfden blijven staan en het nu althans den schijn kreeg, dat zij zich verdedigden.
39. Intusschen hadden onze soldaten gedaan met fourageeren en hoorden het geschreeuw. De ruiters ijlden vooruit en zagen den gevaarlijken toestand. Hier was echter geen schans, welke de verschrikten zou kunnen opnemen. Pas geworven en zonder krijgservaring, richtten de soldaten hun blikken naar den krijgstribuun en de centurio's en verwachtten van hen bevelen. Doch niemand was er, hoe dapper overigens ook, die niet door dezen gansch overwachten toestand zijn bezinning had verloren. Toen de barbaren van verre onze veldteekenen zagen, lieten zij van den storm af; zij geloofden eerst, dat de legioenen waren truggekeerd, die volgens het bericht der gevangenen ver weg zouden zijn. Spoedig echter zagen zij, welk een gering hoopje zij voor zich hadden en stormden toen van alle kanten op hen in.
40. De treinknechten liepen naar den naasten heuvel vooruit. Spoedig daar vandaan gejaagd, stortten zij zich te midden der vanen en manipels en brachten de reeds verschrikte soldaten nog meer in verwarring. Eenige wilden een wigvormige kolonne vormen, om zoo er zich door te slaan, wijl de legerplaats zoo in de nabijheid was; en, indien daarbij ook een deel werd ingesloten en afgemaakt, dan konden toch de overigen zich stellig redden. Anderen waren van oordeel, dat men zich op de hoogte moest opstellen en hetzelfde lot met elkander deelen. Dat keurden de oude soldaten, die, als gezegd, onder één vaandel mede waren uitgetrokken, niet goed. Na elkaar moed te hebben ingesproken, sloegen zij zich dan onder aanvoering van den Romeinschen ridder Gajus Trebonius midden door de vijanden heen en bereikten, zonder ook maar één man verloren te hebben, de legerplaats. De treinknechten en ruiters volgden hen op de voet, en met hen voortdringende werden zij door de dapperheid dezer soldaten gered. Maar zij, die op de hoogte stelling hadden genomen, gaven, bij hun nog volslagen gebrek aan krijgservaring, hun eerstgenomen besluit op, om zich op die hooger gelegen plaats te verdedigen, en konden evenmin de krachtige en snelle beweging, die voor de anderen, zooals zij gezien hadden, van zoo groot gevolg was geweest, navolgen; maar bij hun poging om de legerplaats te bereiken, geraakten zij op een ongunstig terrein. Hun centurio's, waarvan er sommige uit de lagere rangen van andere legioenen om hun dapperheid in hoogeren rang bij dit legioen waren overgeplaatst, streden met de grootste dapperheid, om hun vroeger verworven oorlogsroem niet te verliezen. Wel is waar vielen zij, doch door hun dapperheid werden de vijanden teruggedrongen, en zoo kwam een deel der soldaten tegen alle verwachting ongedeerd in de legerplaats; de overigen werden door de barbaren afgesneden en neergehouwen.
41. De Germanen gaven nu de hoop op, de legerplaats te veroveren, omdat zij zagen, dat de onzen reeds de verschansingen bezet hadden en trokken met den buit, dien zij in de bosschen hadden verborgen, over den Rijn terug. Zoo groot was de schrik, ook na den aftocht des vijands, dat Gajus Volusenus, die met de ruiterij den volgenden nacht voor de legerplaats verscheen, geen geloof vond, toen hij verzekerde, dat Caesar behouden met het leger in aantocht was. Zoozeer had de vrees allen bevangen, dat men, als had men zijn zinnen bijna geheel verloren, beweerde, dat slechts de ruiterij aan de algemeene nederlaag van het leger was ontkomen, want dat, als het leger werkelijk nog ongedeerd was, de Germanen de legerplaats niet zouden hebben aangegrepen. Eerst Caesar's komst maakte aan deze angst een einde.
42. Vertrouwd met de wisselvalligheden van den oorlog, laakte Caesar bij zijn terugkeer 't alleen, dat men de cohorten uit hun standkwartier en verschansing had laten uitrukken. Men had zelfs niet voor het geringste ongeval mogelijkheid moeten laten. Hij was van oordeel, dat het geluk bij de plotselinge aankomst der vijanden veel had gedaan, maar nog meer bij hun gelukkige afweer, toen zij haast voor den wal zelf en in de poorten van de legerplaats stonden. Het verwonderlijkst van alles was, dat de Germanen, die over den Rijn gegaan waren, met het doel om het land van Ambiorix te plunderen, dezen, bij hun afdwaling naar de Romeinsche legerplaats, den meest gewenschten dienst hadden bewezen.”
Bron: “De Bello Gallico boek 6” Het verslag van de Gallische Oorlog aan de Senaat en het volk van Rome. — Generaal Gaius Iulius in het jaar 53 voor Christus.
https://koxkollum.nl/caesar/opera/caesarbg6vert01.htm
Hoogachtend,
De Archeoloog van de Sint Pietersberg
Bob de Zomer
(RVW)
Een heel klein Romeins legerkamp vergeleken met het forse Aduatuca
Afbeelding:
Oppidum van CAESTERT uit het RAAP rapport.
De forse aangelegde wal met gracht is duidelijk zichtbaar en deze werd door Professor Heli Roosens in 1972 gedateerd op 57 vòòr Christus doordat hij een aangebrande paal had weten op te graven uit de wal.
(Ze deden in die tijd hout aanbranden of "kort bakken" om het veel duurzamer te maken)




Reacties
Een reactie posten